Nadat de 'Bijbelonderzoekers', zoals
Jehovah's Getuigen zich oorspronkelijk noemden, ongeveer 30 jaar lang een gematigde
houding hadden aangenomen tegenover uitvallers, verscheen in 1904 het boek The
New Creation, waarin de gedachte werd geïntroduceerd dat het noodzakelijk was
"passende stappen te ondernemen om niet toe te laten dat de gemeente in moreel
opzicht verdorven" zou worden. Op basis van bijbelgedeelten als Matthéüs 18:15-17
"vonden er af en toe kerkverhoren plaats waarin de bewijzen voor
kwaaddoen in ernstige gevallen aan de gehele gemeente werden voorgelegd" (jv,
186).