Alles weten is alles begrijpen , of de wens is de vader van de gedachte ?


Persoonlijke recentie van het werk "De Republiek" 1477-1806 van Jonathan I.Israel.

Bij het lezen van het voorwoord was mij deze visie uit het hart gegrepen. Dit is een boek niet ingekleurd door welke politieke achtergrond dan ook. Door de geschiedenis heen is het werk van politici geweest zelf meer macht te krijgen of dit nu belangrijk was voor een stad-provincie of land dat speelde bij een politiek gekleurde menigsvorming geen rol. Het is wel zeker dat vreemde machten de zuidelijke en noordelijke nederlanden uit elkaar gedreven hebben tot eigen voordeel van diegene die daar meenden beter van te kunnen worden .

Engeland ,Frankrijk en Duitsland (het habsburgse huis) , waarvan de eerste en de derde de overwinnaars in Waterloo waren , was het een doorn in het oog dat de Hollanders qua koloniale macht , qua handelsdrijvende natie, qua transporteurs ter zee van vele producten ,de jaloezie opwekten van die landen die niet de soepelheid bezaten om niet alleen mensen , maar ook volken voor zich in te nemen. Zij dwongen onze taal niet op in hun koloniale rijk maar spraken zelf die taal daar waar men mee samenwerkte . Dat is de macht van een kleine natie omdat er niets van te vrezen viel qua mankracht als het op machtsmisbruik aan zou komen.

Frankrijk, vaak en zelfs nu nog, wat neerbuigend. Duitsland in bepaalde perioden te zelfbewust, wel hard werkend en zeer prestatiegericht en Engeland, de grootste concurrent van de Nederlanders op zee , gelijkwaardige partners in de handel ,zo ook op het gebied van zijn koloniale prestaties, en zeer diplomatiek.

Men ,Engeland dus, bleef ons in het openbaar prijzen maar bleek in feite, het "perfide" Albion. Legde diplomatieke rookgordijnen en dat was "good for their nation. Alhoewel we vele Engelse oorlogen beleefd en doorstaan hebben is het opmerkelijk dat we zoveel "in Common" hebben. Dezelfde homor, dezelfde fighting spirit, de zelfde, maar in wat mindere mate , hang naar tradities. Dezelfde liefde voor bloemen en planten.

De groots gemene deler van diplomatieke aanpak voor deze landen was toen en is ook nu nog, en die landen maakten toen ook de dienst uit in Europa, je zoekt een gemeenschappelijke "vijand" uit , een kleine natie . Daardoor worden even de problemen onderling vergeten en probeert die "gemeenschappelijke vijand" dan uit het evenwicht te brengen. En zo geschiede ons (de Nederlanders van nu en de Belgen van na Koning Willem I) achteraf gezien .En wat trad na de reformatie duidelijker aan het licht , dat was de geloofsovertuiging en middels het geloof werd een wig gedreven tussen Nederland en het latere België. Gelijk dit ook nu nog tussen Ulster en de Ierse Republiek krampachtig, door hen die dit wensen, in stand wordt gehouden en waar wij in de huidige tijd ons alleen nog maar over kunnen verbazen.

Ik hou van Frankrijk en zijn savoir de vivre en daarom erger ik me er zo vaak aan deze houding . Van iemand waar je van houdt mag een ander geen kwaad van spreken .

Het is jammer dat het franse onderwijs qua europese - communicatie in andere talen dan haar eigen taal zo erbarmelijk te kort schiet , haar onderdanen nooit heeft geleerd dat Frankrijk ook vele vergissingen gemaakt heeft en de wereld buiten haar grenzen veel groter is dan Frankrijk. Men kent alleen des gloires , mais surtout pas les pertes.

Einde van deze philipca.

De schrijver Jonathan I. Israel verklaart hieronder:

Bij de aanvang van een groot werk als dit lijkt het mij passend in enkele woorden uiteen te "zetten wat mijn aanpak en interpretatiekader zijn geweest. Mijn doel was de Opstand en de 'Gouden Eeuw in hun volledige context te plaatsen, dat wil zeggen van de gehele vroeg- moderne tijd. Bij het vorderen van het werk ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat zowel de Opstand als de Gouden Eeuw alleen begrepen kunnen worden binnen het totaalbeeld. Dat betekent enerzijds teruggaan naar het Bourgondische tijdperk en anderzijds een vooruitblik naar de Napoleontische tijd. De Unie van Utrecht van 1579, het verbond tussen de Verenigde Provinciën, zoals de Republiek officieel tussen 1579 en 1795 heette, wordt vaak gezien als een scherpe breuk met het verleden. Maar gezien tegen de achtergrond van de veertiende en vijftiende eeuw, krijgt de Unie een heel andere betekenis.

Eén van de belangrijkste interpretatieproblemen bij het aanpakken van een werk als dit betreft de verhouding tussen de noordelijke Nederlanden, ruwweg het gebied dat zich ontwikkelde tot het huidige Koninkrijk der Nederlanden, en het zuiden, ruwweg het huidige België en Luxemburg. Toen ik in 1982 begon met schrijven was ik er net als andere historici van overtuigd dat er voor de Opstand in de Lage Landen geen noemenswaardige scheiding bestond tussen noord en zuid, dat het hele gebied van de toenmalige zeventien provincies (ondanks grote onderlinge verschillen) min of meer verenigd was onder Habsburgs bestuur vanuit Brussel. Het culturele, politieke en economische zwaartepunt leek duidelijk in het zuiden te liggen, waarbij het noorden in veel opzichten slechts een ondergeschikte rol speelde. In dit "licht bezien is de scheiding tussen noord en zuid, die veroorzaakt werd door de Opstand van "1572 en werd bevestigd door de gebeurtenissen tussen 1579 en 1585, een kunstmatige, onnatuurlijke breuk die geen basis had in de voorafgaande geschiedenis. Pieter Geyl was de eerste historicus die duidelijk zag dat er vóór de Opstand in het geheel geen specifiek Noordnederlands bewustzijn’ of Nederlands nationaal besef, los van het zuiden bestond. Hij had daarin ongetwijfeld gelijk, maar daarmee leek ook zijn conclusie juist dat het resultaat van de Opstand een toevallige samenloop van omstandigheden was, zonder wortels in het verleden, waardoor een diepere eenheid verbroken werd.

We kunnen gerust stellen dat de zienswijze van een Groot-Nederlandse eenheid, kunstmatig uiteengereten in de jaren zeventig van de zestiende eeuw, zich sindsdien tot een brede consensus ontwikkeld heeft. Bij het vorderen van mijn werk werd mij echter duidelijk dat alleen het eerste deel van Geyls revisionisme juist is. Er was zeker geen specifiek Noordnederlandse identiteit vóór 1572, noch een specifiek Zuidnederlands bewustzijn. Het is zelfs de vraag of die termen voor het eind van de achttiende eeuw enige betekenis hebben. Toch hadden politieke, economische en geografische factoren al lang voor de grote Opstand "van 1572" in noord en zuid afzonderlijke identiteiten doen ontstaan. Gezien tegen het decor van de late Middeleeuwen en het begin van de zestiende eeuw was 1572, en daarmee de definitieve scheiding tussen noord en zuid, in een belangrijk opzicht de voltooiing, het logische uitvloeisel van een dualisme dat al eeuwen bestaan had.

Tevens het grootste deel van de geschiedenis van de Verenigde Provinciën waren verbondenheid en identiteit meer gebaseerd op provinciale, stedelijke en soms ook lokale gemeenschapsgevoelens dan op gehechtheid aan de Republiek als geheel. In dit opzicht paste de zich ontwikkelende losse federale structuur van de Republiek goed bij de mentaliteit van de bevolking. De politiek werd maar al te vaak beheerst door spanning tussen de dominerende provincie Holland en de overige provincies, die altijd klaar stonden om hun lokale belangen te beschermen. Maar, mijns inziens was deze spanning al eeuwen vóór de Opstand kenmerkend voor de politiek ten noorden van de Scheldemonding en de Maas.

Trokken noord en zuid dus zowel vóór als na 1572 in politiek en econoniisch opzicht in grote mate gescheiden op, het is wel waar dat zij vóór de Opstand in religieus, intellectueel, kunstzinnig en tot op grote hoogte (wat betreft de Nederlandstalige provincies Vlaanderen, Brabant, en Limburg) taalkundig en literair opzicht één cultuur vormden. Op deze punten betekende de Opstand een ongekende en beslissende breuk. Door de opkomst van de calvinistische Reformatie in het noorden en de triomf van de Contra-Reformatie in het zuiden, beide ten gevolge van de Opstand, viel een culturele eenheid uiteen in twee tegengestelde culturen die op voet van oorlog met elkaar leefden. In cultureel opzicht heeft de Opstand de dualiteit versterkt die reeds lang in het politieke en economische leven bestond.

Mijn onderwerp is de Nederlandse Republiek, maar ik heb geen strikt chronologische of geografische benadering gekozen. Om de Republiek te begrijpen en haar prestaties op het gebied van kunst, wetenschap, ideeën, handel, scheepvaart, sociale zorg en techniek op waarde te schatten, is het niet alleen nodig het verhaal ver voor 1572 te laten beginnen (alsmede een blik vooruit te werpen naar de Bataafse Republiek die in de jaren 1795-18o6"haar plaats innam), maar ook een ruimer perspectief te bieden dan dat van de noordelijke Nederlanden alleen. Hoewel ik mij concentreer op het noorden, heb ik getracht de relatie tussen noord en zuid te verhelderen, met al haar contrasten en overeenkomsten. Hoewel het het zuiden minder aandacht krijgt blijft het in het totaalbeeld aanwezig. Daarnaast ben ik er van uitgegaan dat er voor de achttiende eeuw geen duidelijke grens bestond tussen de Nederlanden en Duitsland. De grensoverschrijdende jurisdicties, grensgeschillen, en vooral de religieuze en culturele wisselwerking tussen de Nederlanden en de aangrenzende Duitse staten vormen een integraal en hoogst belangrijk onderdeel van het verhaal dat maar al te vaak verwaarloosd is. de gebieden Oost-Friesland,Bentheim,LingenMünsterland, Geldem, Mark en Guli-Kleef breng ik daarom niet alleen veelvuldig ter sprake, ik heb ook getracht ze een zekere mate in het totaalbeel op te nemen.

Tenslotte moet ik, denk ik, uitleggen waarom ik opzettelijk erg kort ben geweest in mijn weergave van het laatste deel van de achttiende eeuw. Het was uiteraard niet doenlijk om in 1780 te eindigen, waar E.H. Kossmanns De Lage Landen 1780-1940 (Amsterdam, "Brussel 1979) begint. De lezer zou dan in de steek gelaten zijn zonder een idee van de afloop van het verhaal. Het leek echter ook niet nodig of wenselijk van de laatste jaren van de Republiek een even uitgebreide bespreking te geven als van het voorafgaande deel. Het enige doel van de laatste twee hoofdstukken is dus geweest een beknopte afwikkeling te bieden van de thema’s die ik in dit boek heb aangesneden.

de schrijver : Jonathan . I. Israel van het boek De Republiek 1477-1806

1st deel tot 1477-1647

2e deel vanaf 1647-1806