België
Officiële naam: Koninkrijk België / Royaume de Belgique / Königreich Belgien
Oppervlakte: 30.519 km2
Inwoners: 10.100.000 (1994)
Staatsvorm: federale staat met constitutionele monarchie
Staatshoofd: koning Albert II (sinds 1993)
Hoofdstad: Brussel
Officiële taal: Nederlands, Frans en Duits
Officiële munt: frank = 100 centimes
Gesitueerd in West-Europa is België een der kleinste staten van de wereld. De maximum afstand noord-zuid bedraagt 193 km, oost-west 233 km. De Belgische noordzeekust is 66 km lang, de rest van de grenzen werd vnl. kunstmatig afgebakend bij historische verdragen. Vanwege zijn centrale ligging te midden van economische wereldmachten werd de hoofdstad Brussel de standplaats van tal van internationale organisaties (o.a. de EU en de NAVO).
België is een constitutionele monarchie. Sinds 1993 is Albert II koning; hij volgde zijn dat jaar overleden broer Boudewijn op.
Het maatschappelijk bestel wordt voor een belangrijk deel bepaald door de tegenstellingen tussen de Nederlandstalige en de Franstalige gemeenschap, die in een voortdurende strijd gewikkeld zijn voor sociale, economische en culturele gelijkstelling. In 1993 resulteerde deze strijd in de vorming van een federatie van drie gewesten: Vlaanderen (13.511 km2), Wallonië (16.845 km2, waarvan 854 km2 voor het Duitse taalgebied) en Brussel (162 km2).
Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
Koninkrijk van 1815 tot 1830 waarin het huidige Nederland, België en Luxemburg verenigd waren. Het Koninkrijk werd na de Franse bezetting (1795- 1813) van de Nederlanden gevormd op het Wener Congres (1814/15) als tegenwicht tegen Frankrijk. In de jaren twintig van de 19e eeuw kende het Koninkrijk een periode van relatieve bloei. In het Zuiden groeide echter de ontevredenheid over het beleid van koning Willem I. Liberalen en katholieken vonden elkaar in een monsterverbond (unionisme), dat in 1830 de Belgische Revolutie ontketende die uitmondde in de Belgische onafhankelijkheid.
Willem I verzette zich nog lange tijd tegen de Belgische afscheiding maar tekende uiteindelijk in 1839 op de conferentie van Londen, onder druk van de grote mogendheden, het verdrag waarmee het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden officieel werd ontbonden.
Belgische Revolutie
(Ook: Belgische Opstand) Opstand in 1830-1831 in de Zuidelijke Nederlanden, die leidde tot het ontstaan van twee aparte koninkrijken België en Nederland. In 1815 waren de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden, na twee en een halve eeuw gescheiden ontwikkeling, samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Koning Willem I wilde van beide landen een eenheidsstaat maken, hetgeen in het Zuiden op verzet stuitte. Ontevredenheid over met name het gebruik van het Nederlands als officiële taal, de beteugeling van de pers en de beknotting van de katholieke invloed op het gebied van onderwijs en organisatie van de Kerk, deed in het Zuiden een afscheidingsbeweging ontstaan. In 1830 brak in navolging van de julirevolutie in Frankrijk een opstand uit en op 4 oktober proclameerde een voorlopige Belgische regering de onafhankelijke Belgische staat. Na een aantal schermutselingen moest Willem I uiteindelijk toestaan dat België in 1831 de onafhankelijkheid verwierf, gegarandeerd door de grote mogendheden op de conferentie van Londen. Het zou echter tot 1839 duren voordat Willem I onder druk van de grote mogendheden definitief akkoord ging met een de Belgische onafhankelijkheid.
Zuidelijke Nederlanden
Benaming voor het huidige België in de periode tussen 1579, toen de zuidelijke provinciën zich afscheidden van de noordelijke (Unie van Atrecht), en 1815 toen het deel werd van het Koninkrijk der Nederlanden. Tot 1713 bleven de Zuidelijke Nederlanden onder Spaans bewind, van 1713 tot 1794 stonden zij onder Oostenrijkse heerschappij en van 1794 tot 1815 was er een Frans bewind.
Atrecht, Unie van
Samengaan van de Staten van Artois en de gedeputeerden van Henegouwen, overeengekomen op 6 januari 1579. Deze Waalse gewesten wilden aan het begin van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) een verzoening met Filips II tot stand brengen, vooral om het behoud van de rooms-katholieke godsdienst te verzekeren. Het initiatief ging uit van de hertog van Parma en Waalse edelen. Henegouwen, Artois en Frans-Vlaanderen verklaarden zich enkele maanden later bereid het Spaanse gezag te erkennen. Dit betekende het begin van de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden.
Wallonië
Wallonië beslaat ruwweg de zuidelijke helft van België en huisvest ca. 2,9 miljoen inwoners. (11.755 km2). Omvat de provincies Luxemburg, Luik, Namen, Henegouwen en het arrondissement Nijvel in de provincie Waals Brabant. Officiële taal is het Frans; in het oostelijk deel van de provincie Luik en in het zuidoostelijk deel van de provincie Luxemburg wordt Duits gesproken.
Veeteelt en melkveehouderij zijn erg belangrijk, ten noorden van de Samber- Maasvallei akkerbouw en groenteteelt.
Tot de jaren zestig stond Wallonië qua industrialisatie aan de spits in België (vooral ijzerindustrieën). Uitputting van de steenkoolbekkens en sluiting van de mijnen in combinatie met een verouderd industriepark brachten het gebied in een ernstige financieel- economische crisis. Door de prachtige natuur (heuvels, bossen, rivieren, enz.) is het toerisme een belangrijke pijler van de economie geworden
Nederland
(wat ook tot 1839 Zuid-Nederlandse dus huidig Belgische geschiedenis was)
Holland meer Habsburgs en België meer Bourgondisch, maar kan ook weer samen gaan in het huwelijk van Maria van Bourgondië (1477-1482 ) en Maximiliaan van Habsburg (1459-1519)
Er zijn steeds weer krachten aanwezig geweest ons uit elkaar te drijven maar de geschiedenis leert ons dat we tot grote dingen in staat zijn . Ideëen kunnen aandragen waar Europa, dus wij allemaal, mee gebaat zijn.
In 1579 sloten de noordelijke Nederlanden (min of meer het huidige Nederland, zonder Noord-Brabant en Limburg) zich in de Unie van Utrecht aaneen onder leiding van prins Willem van Oranje, de 'Vader des Vaderlands'. Deze Unie wordt wel de grondslag van de Nederlandse staat genoemd, hoewel het meer een uit nood geboren federatie dan een centraliserend staatsbestel was. De Unie van Utrecht was onderdeel van de strijd tegen de Habsburgse (Spaanse) overheersing, in 1648 bezegeld met de vrede van Münster, die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog en een erkenning inhield van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als zelfstandige natie.
De Nederlanden voerden vooral met Engeland heftige strijd om de hegemonie op zee. Van de zeventiende eeuw dateert de roem van admiraals als De Ruyter, Tromp en Piet Hein. Holland en Amsterdam voerden in de Republiek de boventoon en het waren vooral hun handelsbelangen die met de vloot gediend werden.
De 17e eeuw staat bekend als de 'Gouden Eeuw', met Amsterdam als centrum van het opkomende internationale handelskapitalisme, met de Nederlanden gedurende enige decennia als belangrijkste zeevarende natie en met een hoge vlucht van wetenschap en kunst (in het bijzonder de schilderkunst: Rembrandt, Frans Hals, Vermeer e.a.). In deze periode werd de basis gelegd voor de nog steeds bestaande maritieme wereldfaam, eerst als zeevarende natie, later (19e en 20e eeuw) als waterbouwkundige grootmacht (inpolderingen, droogmakerijen en Deltawerken).
De Republiek verloor uiteindelijk de strijd tegen Engeland, als gevolg waarvan haar macht en invloed in Europa langzaam taanden.
De in de 18e eeuw doorzettende economische malaise ging gepaard met zwak landsbestuur en een zich in toenemende mate compromitterende nepotistische regentenstand, die beide niet bij machte bleken het tij te doen keren.
Conflicten tussen stadhouder (de prins) en regenten waren er al eerder geweest, maar in de tweede helft van de 18e eeuw ontstond onder een deel van de regenten en de burgerij de Patriotse oppositie tegen zowel de stadhouder, als de meest behoudende leden van de stedelijke regenten-elite. In de jaren tachtig van die eeuw kregen de Patriotten, die duidelijk burgerlijk-democratische elementen in hun politieke filosofie hadden, de wind goed in de zeilen. Pruisische legereenheden kwamen de stadhouder in 1787 nog te hulp, maar in 1795 geraakte de oppositie toch aan de macht, zij het onder de paraplu van de Franse legereenheden die in dat jaar Nederland bezetten.
Rond 1800 was de invloed van de meer radicale Patriotten tanende, als gevolg van onderlinge verdeeldheid in het Patriottenkamp en van de algemeen verslechterde toestand in het land, waarvoor zij mede verantwoordelijk werden gehouden. Tussen 1795 en 1813 zakte de economie, met uitzondering van de landbouw, dramatisch in, mede als gevolg van de inperking van de handelsmogelijkheden door de oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Het aantal armlastigen steeg snel en de financiële last van de Franse bezettingsmacht werd als steeds drukkender ervaren. De toenemende anti-Franse stemming werd benut door vertegenwoordigers van het oude regime om aan invloed te winnen. Een deel van het verzet tegen de Frans-Patriotse samenwerking was overigens een reactie op het feit dat de Fransen in Nederland een gecentraliseerd modern staatsbestel invoerden, dat zich meer met het regionale en lokale bestuur bemoeide dan men gewend was, terwijl het (beperkte) democratiseringsstreven van de radicale Patriotten al evenzeer op verzet stuitte.
Koninkrijk der Nederlanden
In 1813 landde de zoon van de door de Fransen verdreven stadhouder op het strand in Scheveningen en werd als Willem I (1813-1840) in hetzelfde jaar koning. Naar moderne maatstaven gemeten voerde Willem I een autoritair bewind, dat echter de ontwikkeling naar een moderne, relatief gecentraliseerde staat die onder de Fransen was ingezet, eerder voortzette dan afbrak. Tegen zijn beleid ontstond dan ook nogal wat oppositie. De zakenwereld vond dat er te veel geld werd uitgegeven, in het bijzonder aan het leger. De Kerken vonden dat de staat zich te veel met hun zaken bemoeide. De katholieken bleven zich achtergesteld voelen, onder meer omdat de regering onder Willem I zich het recht aanmat toezicht te houden op de betrekkingen tussen Nederland en Rome. Willem I, die een niet onverdienstelijke mercantilistische politiek voerde en de oprichter was van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, kon zijn positie als koning alleen maar krachtiger dan die van de oude stadhouders maken door de staat te versterken. Zijn centralisme was in die zin eigenbelang. Hij kon succes boeken omdat na de Franse tijd de elite van oude regenten, adel en nieuwe rijken te zwak of te provincialistisch was om een doorslaggevende oppositie te voeren. Willems koloniale politiek (m.n. in Nederlands-Indië en in veel mindere mate in De West, d.w.z. Suriname en de Nederlandse Antillen) was in zoverre succesvol dat de staat zich er een belangrijke uitbreiding van zijn krappe financiële middelen mee verwierf.
Scheiding van België
Kort na de terugkeer van de koning uit Engeland vond in 1814-1815 het Wener Congres plaats, waarin de Europese mogendheden de nieuwe kaart van het Europa na Napoleon invulden en België en Nederland onder één vorst plaatsten. Het werd nooit een gelukkig huwelijk, omdat beide gebieden tot dan toe een gescheiden ontwikkeling hadden doorgemaakt. België was een industrieland en Nederland een handelsnatie, België overwegend katholiek, terwijl in Nederland de protestanten de meerderheid vormden. In 1830 maakte België zich los, na een korte en hevige strijd. De definitieve scheidingsvoorwaarden werden vastgelegd in het verdrag van Londen (1839).
Ondanks de inspanningen van Willem I bleef het met de economie slecht gaan en was vooral een sanering van de staatsfinanciën noodzakelijk. Nederlands kapitaal was er voldoende, maar werd in het buitenland geïnvesteerd. Onder het bewind van Willem II (1840-1849) werden de rijksfinanciën inderdaad gesaneerd, overigens mede dank zij het feit dat het cultuurstelsel vruchten begon af te werpen. Er werd gebroken met de mercantilistische politiek van Willem I en overgegaan op het bevorderen van de vrijhandel.
Tegenover de behoudende financieel-economische as Den Haag-Amsterdam kwam in het midden van de 19e eeuw een bescheiden liberalisme op, dat o.a. steunde op economische vooruitgang in de noordelijke en oostelijke provincies. De (Noordbrabantse) katholieke elite steunde de liberale stroming, omdat deze voor vrijheid van godsdienst was. In 1848 leidde dit tot een ingrijpende grondwetsherziening, waarbij de liberale politicus Thorbecke een hoofdrol speelde. De macht van het parlement t.o.v. de koning werd uitgebreid, een aantal burgerlijke vrijheden werd vastgelegd en het kiesstelsel werd minder getrapt (zij het dat nog steeds slechts 2,5% van de bevolking stemrecht had). Provincies en gemeenten kregen meer autonomie. De invloed van de liberale stroming bleek opnieuw toen koning Willem III (1849-1890) er niet in slaagde Thorbecke, van wie hij niets moest weten, uit de regering te houden.
Wat België en Nederland toch weer verbindt binnen Europa en met Luxemburg en de KSG een aanzet waren voor de EU van nu.
Benelux
(Belgisch-Nederlands-Luxemburgse Unie) Unie van België, Nederland en Luxemburg. Zij werd In 1944 in Londen opgericht met het doel de welvaart in de drie landen te bevorderen door nauwe samenwerking. In 1948 werd een begin gemaakt met de in het Benelux-verdrag van 1944 aangekondigde douane-unie. In 1958 werd de samenwerking uitgebreid in een Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, dat in 1960 in werking trad. Sinds 1953 werd al een gemeenschappelijke handelspolitiek gevoerd.
De Benelux kent geen supra-nationale instellingen. Het belangrijkste orgaan is het Comité van Ministers, bestaande uit 9 leden (drie ministers uit ieder land). De beslissingen moeten eenstemmig worden genomen en zijn bindend voor de drie regeringen. Het tweede orgaan is de Raadgevende Interparlementaire Raad, waarin afgevaardigden van de nationale parlementen zitting hebben. Deze heeft een adviserende taak. Het derde orgaan is de Raad van de Economische Unie, gevormd door hoge ambtenaren uit de drie landen.
Benelux Gerechtshof
Gerechtshof, gevestigd in Brussel, bestaande uit 9 rechters, drie uit de hoogste rechtscolleges van elk der Beneluxstaten. De belangrijkste taak van het Hof is het bewerkstelligen van een uniforme interpretatie van de gemeenschappelijke rechtsregels. Een tweede taak is het geven van advies (op verzoek) aan de drie regeringen. Tenslotte treedt het Hof ook op als ambtenarenrechter voor het personeel van de Benelux-instellingen.
EG-verdragen
Onder EG-verdragen worden verstaan de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) – het Verdrag van Parijs uit 1951 – en van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en Euratom – het Verdrag van Rome (eigenlijk twee verdragen) uit 1957 –, het Fusieverdrag uit 1967 en de Europese Akte uit 1987 waarin aanvullingen waren opgenomen, en het Verdrag van Maastricht uit 1992 betreffende de oprichting van de Europese Unie, waarin wederom wijzigingen van en aanvullingen op de oprichtingsverdragen zijn opgenomen.
Fusieverdrag
Verkorte naam voor het 'Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie van de Europese Gemeenschappen'. Verdrag ter combinatie van de instellingen van de Europese Gemeenschap, van kracht geworden op 1 juli 1967. Sinds die datum hebben de drie Europese Gemeenschappen: de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en Euratom gemeenschappelijke instellingen en organen. Tezamen werden zij (ook) informeel de Europese Gemeenschap genoemd. Bij de fusie behield elke Gemeenschap haar eigen regels: in de EGKS geldt een aantal regels die in sterke mate afwijken van die in de EEG. Al eerder, met de inwerkingtreding van de oprichtingsverdragen van de EEG en Euratom (1 januari 1958), hadden de drie gemeenschappen één parlementaire vergadering (vanaf dat moment het Europees Parlement genaamd) en één Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gekregen. Daarnaast voorzag de overeenkomst in één Economisch en Sociaal Comité voor zowel EEG als Euratom. Voor EGKS-kwesties bleef er een apart comité bestaan, het Raadgevend Comité van de EGKS.
Europese Economische Gemeenschap
(EEG) Economische gemeenschap, opgericht bij het Verdrag van Rome van 25 maart 1957, van kracht sinds 1 januari 1958, waarvan lid zijn de Benelux-landen, Frankrijk, Duitsland en Italië. In 1973 sloten Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken zich aan bij de EEG, in 1981 gevolgd door Griekenland en in 1986 door Spanje en Portugal. Doelstelling van de EEG is te streven naar een gestadige en stabiele groei, verbetering van de levensstandaard en nauwere betrekkingen tussen de deelnemende landen. Dit moet bereikt worden door het instellen van één enkele, grote markt en een gemeenschappelijk beleid op een aantal gebieden. Daarna zou een volledige economische unie moeten volgen. Hoewel de eerste stadia doorlopen zijn, is van een economische unie nog geen sprake. Wel trad per 1 januari 1993 de interne markt in werking. Per 1 juli 1967 vormden de EEG samen met Euratom en de EGKS de Europese Gemeenschappen. In 1992 werd de EEG onderdeel van de Europese Unie en werd de naam EEG officieel veranderd in Europese Gemeenschap, als officiële benaming voor het streven naar volledige economische en monetaire integratie.
Europese Unie
(EU) Opgericht bij het Verdrag van Maastricht; in werking getreden op 1 november 1993 na ratificatie door de lidstaten van de Unie. De EU heeft 15 leden: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland (1957); Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken (1973); Griekenland (1981); Spanje en Portugal (1986); Finland, Oostenrijk en Zweden (1995). De Europese Unie bestaat uit twee elementen, de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de Europese Politieke Unie (EPU). De EMU omvat de reeds bestaande Europese Gemeenschappen, uitgebreid tot een muntunie. De EPU breidt de Europese samenwerking uit naar nieuwe beleidsterreinen: justitie en politie, en buitenlands en veiligheidsbeleid. De EU bestaat uit drie pijlers.
De eerste pijler bestaat uit de drie Europese Gemeenschappen EG, EGKS en Euratom en is gebaseerd op de gewijzigde en met de EMU uitgebreide Verdrag van Rome van de EEG en de EGKS- en EURATOM-verdragen, de tweede pijler omvat het buitenlands en veiligheidsbeleid, terwijl in de derde pijler het justitiële en politiebeleid is ondergebracht. Voor deze structuur is gekozen om zowel communautaire als intergouvernementele besluitvorming mogelijk te maken. In de eerste pijler wordt communautair beslist; Europese Commissie, Europees Parlement en Raad van Ministers hebben hier elk een rol te vervullen. In de tweede en derde pijler is de besluitvorming intergouvernementeel; daar ligt de besluitvorming voornamelijk in handen van de Ministerraad. In Maastricht is overeengekomen dat de Europese Unie in 1996 tijdens een Intergouvernementele Conferentie wordt geëvalueerd.
Economische en Monetaire Unie
(EMU) Economisch samenwerkingsverband tussen de lidstaten van de Europese Unie, dat uiteindelijk moet leiden tot een gemeenschappelijke munt en een vergaande coördinatie van de economische, monetaire en sociale politiek. Hoewel al in 1969 besloten werd tot de vorming van een economische en monetaire unie, kwam daar door de economische crisis in de jaren zeventig weinig van terecht. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig, in het licht van de voltooiing van de interne markt, kwam de discussie weer op gang. In 1989 werd het rapport-Delors aanvaard dat voorzag in de totstandkoming van de EMU in drie fasen. De EMU werd opgenomen in het Verdrag van Maastricht (1992). Afgesproken werd over te gaan tot geleidelijke invoering en beheer van een gezamenlijke munt voor (een deel van) de EG-lidstaten uiterlijk 1999. Alleen die landen kunnen meedoen die voldoen aan zg. convergentiecriteria (lage inflatie, geen te groot overheidstekort, minstens twee jaar binnen de wisselkoers van het Europees Monetair Stelsel zijn gebleven - deze eis werd in 1993 voorlopig losgelaten - en een met andere vergelijkbaar rentepeil) als teken van de graad van hun economische 'convergentie' met de rest. De periode van totstandkoming van de EMU is verdeeld in drie stadia, in het derde waarvan de ecu de rol van sommige nationale valuta's overneemt. Fase één liep van 1 januari 1990 tot 1 januari 1994, vooral gericht op de voltooiing van de interne markt (vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal). Op 1 januari 1994 werd het Europees Monetair Instituut (EMI) opgericht, als voorloper van de Europese Centrale Bank (ECB). Het EMI is gevestigd in Frankfurt. Tijdens de tweede fase (1 januari 1994 - 1 januari 1996) moeten alle nationale centrale banken politiek onafhankelijk worden en wordt er gekeken of de lidstaten voldoen aan de gestelde criteria. Ook moeten de landen hun economieën meer op elkaar afstemmen. De derde fase moet per 1 januari 1999 ingaan: ongeacht het aantal zouden de lidstaten die op dat moment aan de eisen voldoen, aan de EMU met één gemeenschappelijke munt (de Euro)en een Europese Centrale Bank beginnen.
Europese Centrale Bank
(ECB; ook Eurofed genoemd) In het Verdrag van Maastricht (1992) beoogde, financiële instelling van de Europese Unie, in het kader van de te realiseren Economische en Monetaire Unie (EMU). Wanneer de derde fase van de EMU ingaat (een datum daarvoor staat nog niet vast), zal het Europees Monetair Instituut (EMI) opgaan in de Europese Centrale Bank. Deze zal dan het dagelijks bestuur vormen van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB), bestaande uit de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten. De Europese Centrale Bank zal uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het monetaire beleid van de Europese Unie.Is inmiddels in Frankfurt gevestigd onder leiding de uit Friesland afkomstige Heer Drs. Willem Frederik Duisenberg.
Duisenberg, Willem Frederik
(geb. 1935) Nederlands econoom en politicus (PvdA). Duisenberg was staflid van het Internationale Monetair Fonds te Washington (1965-69) en hoogleraar macro-economie te Amsterdam (1970-73). Hij streefde als minister van Financiën (1973-77) naar verkleining van het financieringstekort en beheersing van de collectieve sector, waardoor hij regelmatig in conflict kwam met zijn partij. Hij was lid van de Tweede Kamer (januari-juni 1978), adviseur van de hoofddirectie van de Rabo-bank. Duisenberg is vanaf 1981 directeur van De Nederlandsche Bank.
Europees volkslied
Van een Europees volkslied is nog geen sprake. Wel wordt de hymne Ode an die Freude uit het slotdeel van de negende symfonie van Beethoven ('Alle Menschen werden Brüder') bij plechtige EG-gelegenheden ten gehore gebracht.
.
en dan komen we via België en Nederland , die meenden zoveel te verschillen via de Benelux,KSG,EEG,EU weer bijelkaar in een Europa waar we gaan samenwerken en samenleven . Waar oorlogen uitgepraat dienen te worden en niet van man tot man uitgevochten tot de dood er op volgt, want dat kent alleen maar verliezers.
Europa
Het werelddeel Europa is een onderdeel van het Eurazische continent en heeft een oppervlakte van bijna 10 miljoen km2. Zonder de landen van de voormalige Sovjetunie en Turkije (waarvan het grootse deel in Azië ligt) telt Europa 36 staten en een bevolking van ongeveer 498,4 miljoen (1992). Europa is economisch hoog ontwikkeld, maar is kwetsbaar door de geringe voorraden grondstoffen, vooral wat betreft de energievoorziening.
Geografie, fauna en fauna
Meer dan de helft van Europa bestaat uit laagland: het Russische laagland beslaat vrijwel geheel Europees Rusland en zet zich in het westen voort in de Noordeuropese laagvlakte, te onderscheiden in het Poolse laagland, Noordduits laagland, Benedenrijnse laagvlakte en het Franse laagland. Het tweede Europese landschap is het Zuid-Europese bergland, bestaande uit de Alpen, de Karpaten, de Balkan en de Apennijnen. Het Iberisch Schiereiland wordt door de Pyreneeën van de rest van Europa afgescheiden en bestaat voor het grootste deel uit een plateau, de Spaanse meseta. Het Scandinavisch schiereiland bestaat, evenals delen van Groot-Brittannië, uit een oud bergcomplex.
De invloed van de Atlantische Oceaan reikt tot ver op het vaste land, waardoor het grootste deel van West-Europa een gematigd zeeklimaat heeft. Meer naar het oosten gaat dit over in een landklimaat, hetgeen vooral tot uiting komt in de grote temperatuurverschillen tussen zomer en winter. Langs de Middellandse Zee bevindt zich een zone die zich kenmerkt door warme, droge zomers en koele, vochtige winters.
De boven de poolcircel gelegen Europese toendra heeft een arctische fauna en flora. De boomloze toendra herbergt rendieren, lemmingen, sneeuwhoenders, poolvossen, enz. De natuurlijke naaldwouden zijn beperkt tot Scandinavië, Rusland en Midden- Europa; er leven o.a. elanden, beren en lynxen. Oorspronkelijke loofwouden bevinden zich nog vnl. in Oost-Europa. Eiken- en berkenbossen, soms gemengd met beuken, komen voor in het westen van Europa. De Middeneuropese bossen herbergen edelherten, reeën, zwijnen en vossen. De Middellandse-Zeevegetatie bestaat uit altijdgroene loofbossen en de maquis: struiken met dikke, leerachtige bladeren en sterk geurende bloemsems. Verder groeien er citrusvruchten, vijgen, olijven en kurkeik. De Europese vogelwereld loopt uiteen van watervogels tot bijeneters en slangenarenden. Op de rots van Gibraltar leeft de enige in Europa voorkomende aap: de magot.
Bevolking en maatschappij
De bevolkingsspreiding van Europa is niet gelijkmatig; er komen grote verschillen in dichtheid voor. Grote delen van IJsland en Noorwegen zijn (vrijwel) onbewoond, terwijl hoofdstedelijke agglomeraties als Londen en Parijs meer dan 1000 inw./km2 hebben, evenals de Nederlandse Randstad en het Duitse Ruhrgebied.
Een typisch Westeuropees verschijnsel is dat van de gastarbeiders, vooral ontstaan in de jaren zestig. Om het tekort aan arbeiders (vooral in de minder aantrekkelijke beroepen) te verhelpen werden arbeidskrachten uit de landen rond de Middellandse Zee aangetrokken. Daarnaast werden de staten met een koloniaal verleden geconfronteerd met een stroom immigranten uit hun (vroegere) overzeese gebiedsdelen.
De talen die in Europa gesproken worden, behoren merendeels tot de Europese taalfamilie en zijn te verdelen in drie hoofdgroepen; de Germaanse, Romaanse en Baltoslavische talen. De Germaanse talen omvatten Engels, Nederlands, Duits, Fries en de Scandinavische talen. De Romaanse talen omvatten Frans, Spaans, Portugees, Italiaans en Roemeens. De Baltoslavische groep valt uiteen in Slavische talen (Russisch, Tsjechisch, Slovaaks, Sloveens, Bulgaars) en Baltische talen (Litouws en Lets). Verder behoren de Keltische talen van Bretagne, Ierland en Noord-Schotland tot de Indo-europese taalfamilie, evenals het Grieks en Albanees.
De grote Europese religieuze stromingen zijn het rooms-katholicisme, het protestantisme en de oosters-orthodoxe godsdiensten. Het rooms-katholicisme is vooral verbreid op het Iberisch Schiereiland, in Italië, België, Frankrijk, Ierland en Oost-Europa, het protestantisme in noordelijk en noordwestelijk Europa, Midden- Duitsland en Groot-Brittannië. De oosters-orthodoxe Kerken bevinden zich in Griekenland, de Balkan en Europese deel van de voormalige Sovjetunie.
Economie
De economische betekenis van Europa in de wereld is groter dan het aandeel van het werelddeel in het aardoppervlak en de wereldbevolking doet vermoeden. West-Europa heeft bijvoorbeeld ongeveer 20% van de totale aardolieraffinage capaciteit. Als industriële macht is West-Europa inmiddels voorbijgestreefd door m.n. de Verenigde Staten en Japan, dat zich na WO II tot economische wereldmacht heeft ontwikkeld. Door de verregaande integratie van de Europese landen in de Europese Unie wil Europa een economische machtsfactor van belang blijven.
Geschiedenis
Europa bleef in de prehistorie lange tijd in de schaduw van Afrika en Azië, pas in het Paleolithicum kwamen Westeuropese culturen naar voren. Tijdens het Mesolithicum verspreidde de mens zich over geheel Europa; hij leefde vnl. van jacht, visserij en verzamelen. Deze nomadische leefwijze werd in het Neolithicum meer en meer vervangen door sedentaire bestaansbronnen als landbouw en veeteelt, hetgeen leidde tot de eerste vaste nederzettingen. Karakteristiek voor de laatste fase van dit tijdperk zijn de grote stenen bouwwerken (hunnebedden, Stonehenge). Omstreeks 3000 v.C. ontwikkelde zich de koperbewerking in Zuidoost-Europa tot belangrijkste nijverheid. In de Bronstijd (2000- 800) nam niet alleen de Europese bevolking snel toe, maar ontstonden ook nieuwe culturen en werd over grote afstanden handel gedreven. De prehistorie werd afgesloten met de IJzertijd, de tijd van de grote Keltische culturen, waarna het Romeinse Rijk aan zijn opmars begon. Van het begin van onze jaartelling tot ca. 400 n.C. beheerste dit rijk vrijwel geheel West-Europa, van Noord-Nederland en Groot-Brittannië tot het huidige Israël. Het oostelijk deel bleef voortbestaan als het Byzantijnse Rijk, het westelijk deel viel uiteen in talloze rijkjes, waarin het Karolingische Rijk in de 9e eeuw pas enige samenhang bracht. Hieruit ontstonden het Westfrankische en Oostfrankische Rijk, waaruit resp. het koninkrijk Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk zouden voortkomen. De verschillende rijken hadden echter één ding gemeen: het rooms-katholieke geloof, dat op alle facetten van het middeleeuwse leven zijn stempel drukte. Dit zou duren tot de Reformatie (1517).
Nam de bevolking van Europa tot de 14e eeuw gestadig toe, hierin kwam de volgende eeuwen een ommekeer door hongersnoden, epidemieën en de talloze oorlogen, zowel dynastieke als godsdienstoorlogen.
Terwijl het Heilige Roomse Rijk in de 17e eeuw uiteenviel in talloze staten en staatjes, wisten de absoluut regerende Franse vorsten de eenheid te bewaren. Hoewel de Franse Revolutie een eind maakte aan dit absolute bewind, riep Napoleon zich korte tijd later uit tot keizer. Eind 19e eeuw had Duitsland zich o.l.v. Bismarck ontwikkeld tot economische en militaire macht. De grote machtsconcentraties die hieruit voortvloeiden, ontlaadden zich in de Eerste Wereldoorlog, waaruit Duitsland echter als grote verliezer te voorschijn kwam. Het financiële bankroet, de politieke instabiliteit en de crisis van de jaren twintig vormden een prima voedingsbodem voor het nationaal socialisme, dat via het Derde Rijk WO II ontketende. Toen de verschrikkingen hiervan voorbij waren, zag de kaart van Europa er heel anders uit: grote staten hadden gebied verloren en kleine staten gebied gewonnen. Bovendien leidde de geallieerde verdeeldheid tot een tweedeling van Europa in een westelijk deel (beïnvloed door de VS) en een oostelijk deel (beïnvloed door de SU). De gedachten aan een verenigd Europa (reeds in de 19e eeuw geuit) kregen gestalte in diverse samenwerkingsvormen, die uiteindelijk leidden tot de oprichting van de Europese Gemeenschap in 1958.
Eind jaren tachtig was er onder invloed van de hervormingen van het Russische staatshoofd Gorbatsjov sprake van een toenadering tussen de beide Europa's. Mede door het uiteenvallen van de voormalige Sovjetunie kwam er aan het begin van de jaren negentig formeel een einde aan de strikte scheiding tussen het kapitalistische West-Europa en het communistische Oost-Europa.
En dit speelt zich allemaal af bij onze zuiderburen , in België , waar men net even anders algemeen beschaafd Nederlands praat dan bij ons.Waar veel EU zaken gevestigd zijn. Waar net als in de Middeleeuwen het kloppend hart van economisch Europa is gehuisvest. Maar men leeft Bougondischer,is bescheidener, is gedissiplineerder, is beleefder. Staat open voor andermans ideëen en kan goed luisteren. Spreken net als wij, nederlanders , vloeiend drie of meer vreemde talen en zijn inschikkelijk. En nu einde verhaal , anders gaan ze zich nog meer verbeelden dan den Ollanders, zoals wij allerwege als Nederlanders genoemd worden. Pourtant(vrij naar het frans) zijn er slecht twee provincies in Nederland waar de echte Hollanders wonen. Dit als gevolg van de handel die al eeuwen,nu en in het verleden, in Holland is geconcentreerd geweest.
Belgica
1. Deel van Gallië dat in de Romeinse tijd bewoond werd door de Belgae (tegenw. Noord-Frankrijk, België en Zuid-Nederland). Onder Augustus kreeg de provincie Belgica als hoofdstad Reims (later Trier). Diocletianus verdeelde Belgica ca. 300 in Belgica Prima (hoofdstad: Trier) en Belgica Secunda (hoofdstad: Reims).
2. Belgische zuidpoolexpeditie o.l.v. Adrien de Gerlache met de driemaster Belgica naar het gebied ten zuiden van Vuurland (1897-1899).
'Nederlandse geloofsbelijdenis' komt voor in 'Godsdienst en mythologie'
Nederlandse geloofsbelijdenis
(Confessio Belgica) Oudste belijdenisgeschrift van de Nederlandse gereformeerden. Opgesteld in 1561 door de predikant van Doornik, Guido de Brès, in het Frans, Ned. vertaling 1562. Volgt de indeling van de Franse geloofsbelijdenis van 1559. Kent de overheid ook een taak toe bij de bescherming en bevordering van het kerkelijk leven. Vormt met de Heidelbergse Catechismus en de Vijf artikelen tegen de Remonstranten de 'drie formulieren van enigheid', de klassieke Nederlandse gereformeerde belijdenisgeschriften.
Belgische Revolutie
(Ook: Belgische Opstand) Opstand in 1830-1831 in de Zuidelijke Nederlanden, die leidde tot het ontstaan van twee aparte koninkrijken België en Nederland. In 1815 waren de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden, na twee en een halve eeuw gescheiden ontwikkeling, samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Koning Willem I wilde van beide landen een eenheidsstaat maken, hetgeen in het Zuiden op verzet stuitte. Ontevredenheid over met name het gebruik van het Nederlands als officiële taal, de beteugeling van de pers en de beknotting van de katholieke invloed op het gebied van onderwijs en organisatie van de Kerk, deed in het Zuiden een afscheidingsbeweging ontstaan. In 1830 brak in navolging van de julirevolutie in Frankrijk een opstand uit en op 4 oktober proclameerde een voorlopige Belgische regering de onafhankelijke Belgische staat. Na een aantal schermutselingen moest Willem I uiteindelijk toestaan dat België in 1831 de onafhankelijkheid verwierf, gegarandeerd door de grote mogendheden op de conferentie van Londen. Het zou echter tot 1839 duren voordat Willem I onder druk van de grote mogendheden definitief akkoord ging met een de Belgische onafhankelijkheid.
Leopold de eerste
: stichter van de belgische Dynastie geboren in 1790 met de namen Leopold Georg Christian Frederik van Saksen Coburg derde zoon van Hertog Framz von Coburg .
Leopold I (België)
(George Christian Frederik; 1790-1865), eerste koning van België (1831-65), uit het huis Saksen-Coburg. Huwde in 1816 met Charlotte Auguste, het enige kind van de latere Britse koning George IV; zij overleed in 1817. Weigerde in 1830 de Griekse kroon. Gekozen tot Belgisch koning na de afscheiding van de noordelijke Nederlanden. Verdedigde het land met Franse hulp tegen een Nederlandse aanval (Tiendaagse Veldtocht). Wist het prestige van het land te verhogen. Trachtte een persoonlijke politiek te voeren tussen de Grondwet, het parlement en de partijen door. Opgevolgd door Leopold II.
Leopold II (België)
(Léopold Philippe Marie Viktor; 1835-1909), koning van België (1865-1909). Zette de politiek van zijn vader voort, vergrootte zijn invloed door gebruik te maken van de politieke verdeeldheid tussen de liberalen en rooms-katholieken. Hield zich bezig met de vorming van een koloniaal rijk. Annexeerde Congo als persoonlijk bezit; in 1908 overgenomen door de staat. Niet erg populair. Opgevolgd door zijn neef Albert.
Albert I (België)
(1875-1934) Albert Léopold Clément Marie Meinrad, koning van België vanaf 1909. Tijdens WO I opperbevelhebber. Zette zich toen in voor de zelfstandige positie en de belangen van België. Door deze houding behield Albert I ook na de oorlog een relatief grote invloed op de staatszaken. Samen met zijn vrouw Elisabeth maakte hij zich verdienstelijk voor de bevordering van kunsten en wetenschappen. Kwam om bij bergbeklimming te Marches-les-Dames.
Leopold III (België)
(Léopold Philippe Charles Albert Meinrad Hubertus Marie Miguel; 1901-1983), prins van België, hertog van Brabant, koning der Belgen van 1934-1951, was van 1926-1935 gehuwd met prinses Astrid van Zweden. Zij kregen een dochter en twee zonen, van wie de oudste, Boudewijn, zijn vader in 1951 opvolgde. In 1941 huwde Leopold met Liliane Baels, uit welk huwelijk eveneens drie kinderen werden geboren. Leopold's koningschap is weinig gelukkig geweest. Kort na de troonsbestijging kwam koningin Astrid om bij een auto-ongeluk. Zijn tweede huwelijk en zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog - hij weigerde de regering naar het buitenland te volgen - maakten hem tot een zeer omstreden figuur. Na de bevrijding van België ontstond rond zijn terugkeer - hij was in juni 1944 met zijn gezin naar Duitsland en later naar Oostenrijk overgebracht - een ernstige politieke crisis (de zg. koningskwestie), die 5 jaar duurde en eindigde met Leopold's troonsafstand.
Boudewijn, koning
(1930-1993) Koning der Belgen. Boudewijn nam in 1950, toen na de terugkeer van koning Leopold III in België een burgeroorlog dreigde uit te breken, met de titel van Koninklijke Prins de koninklijke bevoegdheden van zijn vader over. Na Leopolds officiële troonsafstand werd Boudewijn in 1951 de vijfde koning der Belgen. In 1960 huwde hij te Brussel met de Spaanse doña Fabiola de Mora y Aragón. Boudewijn probeerde aanvankelijk het federaliseringsproces dat in de jaren zestig op gang kwam, af te remmen, maar later verzoende hij zich met de federale structuur zoals die in 1993 in de grondwet werd vastgelegd. Zijn bijzondere belangstelling voor de vroegere kolonie Zaïre en de vroegere mandaatgebieden Boeroendi en Rwanda ging vaak gepaard met pogingen om het Belgische beleid in de door hem gewenste richting bij te sturen. In 1990 leidde zijn weigering, 'wegens grote gewetensnood', een door het parlement goedgekeurd wetsvoorstel over abortus te bekrachtigen, tot een constitutioneel probleem, dat de regering oploste door tijdelijk zelf de koninklijke prerogatieven uit te oefenen en de wet te ondertekenen. In zijn laatste jaren won hij veel sympathie bij het publiek door zijn opkomen voor vergeten groepen in de maatschappij.
Albert II, koning der Belgen
Albert Félix Humbert Théodore Christian Eugène Marie (geb. 1934), Koning van België, tweede zoon van de vroegere koning Leopold III en koningin Astrid. Na het overlijden op 31 juli 1993 van zijn broer, koning Boudewijn, besteeg Albert op 9 augustus 1993 de troon. De plechtigheid werd vestoord door een republikeinse kreet van het libertijnse kamerlid Jean-Pierre van Rossem. Albert is sinds 1959 gehuwd met Paola Ruffo di Calabria. Zij hebben drie kinderen: Filip (1960), Astrid (1962) en Laurens (1963). Hoewel Albert volgens de grondwet de eerste troonopvolger was (Boudewijn had geen kinderen), was het toch enigszins een verrassing toen premier Dehaene bekend maakte dat Albert zijn broer zou opvolgen. Er waren namelijk al enige tijd aanduidingen dat prins Filip (de oudste zoon van Albert) werd voorbereid op het koningschap.